Bijna een traditie: de jaarlijkse Sneeuwklokjeswandeling
- Artikel
Op zaterdag 28 februari 2026 werd net als vorig jaar in Thijsse’s hof de sneeuwklokjeswandeling gehouden. Na het tweede jaar begint het al bijna een traditie te worden. In het kale bos bloeien overal sneeuwklokjes en lenteklokjes. Onder leiding van Dik Vonk en diverse IVN-gidsen werden enkele groepen rondgeleid.
Het sneeuwklokje is enorm populair. Het elegante klokje is de eerste lentebode. Massaal kunnen zij in het kale bos staan bloeien, in de kou en zelfs in de sneeuw. Bij koud weer, onder de 8 graden, zijn de klokjes dicht als witte druppels = “snowdrops” in het Engels. Het is ook een heel stoere plant, met antivries in de bladeren. De opgroeiende planten kunnen zich letterlijk door dorre bladeren heen boren. Zij hebben in hun bladrand enzymen die het strooisel oplossen. Als het streng vriest gaat de plant plat op de grond liggen, zij lijkt dood. Wanneer het dooit staat zij weer op. De voet van de stengel werkt daarbij als een scharnier. De cellen onder in de plant verliezen vocht bij strenge vorst. Zij worden slap en de plant gaat knock-out. Bij dooi herstelt de celspanning zich en gaat de plant weer rechtop staan. Dat doet de plant om onder een sneeuwlaag te kunnen schuilen. Ook als er geen sneeuw ligt, is de bodem minder koud dan de lucht erboven. Na de bloei heeft het sneeuwklokje vrijwel nooit vruchtbaar zaad. De bol vormt zijbolletjes, die zorgen voor de vermeerdering. Zo ontstaan grote pollen sneeuwklokjes.
Het sneeuwklokje is de meest algemene vroege lentebode, maar niet de enige. In de hof staan ook lenteklokjes. Het lenteklokje is ook wit. De 6 bloembladen zijn van gelijke grootte en vormen een halve bol. Ieder bloemblad heeft een geelgroen puntje. Bij het sneeuwklokje zijn de drie buitenste bloembladen langer dan de drie binnen en helemaal wit. De drie binnenste hebben meestal een groen hartje. Bij het lenteklokje is de bloem een bolvormig kapje. Bij het sneeuwklokje met drie langere buitenste bloembladen is de bloem veel slanker. Van het lenteklokje zijn in de Hof geen kiemplanten bekend, net als bij het sneeuwklokje.
De derde vroege voorjaarsbloeier is de winterakoniet. Die is niet wit en is ook geen klokje. Het is een geel rechtop staand napje. Het heeft een knolletje in plaats van een bolletje. Deze plant is familie van de boterbloemen en vermenigvuldigt zich niet door jonge bolletjes, wel door zaden. Met mooi weer zijn er bloem-bezoekers: honingbijen, heel vroege hommels en overwinterende vliegen. In de bloem zie je duidelijk bekertjes met nectar. Dat zijn omgevormde bladen van de bloemkroon. De plant moet de ‘postbode’ veel nectar betalen voor het overbrengen van het stuifmeel. Vliegen bij lage temperatuur kost immers veel energie. De gele bloembladen zijn plantkundig eigenlijk de kelkbladen van de bloem. De groene ingesneden bladen onder de gele zijn officieel stengelbladeren. Zij laten de gele bladeren van de bloem beter opvallen en nemen zo de rol over, die normaal de kelkbladen vervullen.
In de media:
- Haarlemse Dagblad – Sneeuwklokjeswandeling in Thijsse’s Hof (25 februari 2025) – website
