Logo

THIJSSE'S HOF

Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch

Natuur van deze maand

Geschreven door Rob van Dam

Oktober

Vallende kastanjes en overal eikels en beukennootjes, aan de bomen en op de grond. Herfst in Thijsse’s Hof. Leerlingen van de basisschool beginnen aan hun kennismaking met de jaargetijden. Eind september al zijn de eerste groepen-zes aan het ‘herfstpad’ begonnen, het eerste van hun vier bezoeken gedurende dit schooljaar. Ze krijgen ‘biologieles in de geest van Thijsse’, de geluksvogels. Medio oktober zullen ruim duizend kinderen hun opwachting hebben gemaakt. Een geweldig evenement, mogelijk gemaakt door onze vrijwilligers, de juffen en meesters en de begeleidende ouders, opa’s en oma’s.

Kinderen van negen staan zonder terughoudendheid open voor wat de Hof hun biedt. De natuur roept en zij geven antwoord. De route voert langs de stekelige Kaardenbol en de ‘gevleugelde zaden’ van de Spaanse aak, langs moerasdiertjes en verrottend hout, langs de bijenkast en de struiken met bessen. Ze gaan ook even langs bij meneer Thijsse en jong en oud staan versteld van de geheimen van de composthoop. Zo’n uurtje is veel te kort.

Die zaden en bessen, die eikels en beukennootjes, ze laten zien dat de herfst niet alleen het seizoen is van het verval, maar ook van de voorbereiding van nieuw leven. Het afgevallen blad zal verteren en tot voedsel dienen van het zaad dat nog maar net in de aarde is beland. Elk zaadje een kunstwerkje en een bommetje vol levenskracht en software. Wist u dat zaden van duizenden jaren oud, door archeologen blootgelegd, tot ontkieming zijn gebracht? Een korreltje, soms kleiner dan zand, soms zo fijn als stof, draagt van een glorieuze plant de blauwdruk in zich. Sta daar eens bij stil, de volgende keer dat u in een maanzaadbroodje hapt.

In ons instructielokaal kunt u de komende tijd de expositie ‘Zaden en vruchten’ bewonderen, met naast uiteenlopende “Kunstformen der Natur”, zoals de beroemde Ernst Haeckel het ooit noemde, werk van beeldend kunstenaar Gemma van Schendelen.

Van de dichter Leopold bestaat een mooi gedicht over appels. Het begint zo:

Gerimpelde reinette, pippeling, geprezen roem der voorraadschuren,

en zo eindigt het:

met de kastanjehouten pitten, opvolgend lot en nieuwe kansen.

Die pitten, de zaden dus, dragen een toekomst in zich die zowel gedetermineerd is als vrijheid biedt. Maar ach, appelpitten belanden natuurlijk meestal in de groenbak. Eigenlijk zijn de kinderen in Thijsse’s Hof ook een soort zaailingen, nog maar pas ontsproten aan het zaad. Hoe zullen ze zich ontwikkelen, wat zal er uit hen groeien? Ook zij zijn dragers van ‘opvolgend lot en nieuwe kansen’. Zal de liefde voor de natuur die nu op hen wordt geënt, aanslaan?

September

Deze maand bestaat Thijsse’s Hof 94 jaar. De officiële opening vond plaats op 26 september 1925. De hof was een geschenk van de Bloemendaalse bevolking aan Jac. P. Thijsse, die eerder dat jaar zestig was geworden. Hij woonde er pal naast, in wat nu de Dr. Jac. P. Thijsselaan heet. Een lintje kreeg hij dat jaar ook.

Voluit heet onze hof “Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bos”. Dat klinkt een beetje aanmatigend. Waren er vóór 1925 soms geen planten en vogels in dat bos? Je kunt die vraag ook anders formuleren: waar is een heemtuin eigenlijk goed voor?

Thijsse’s Hof noemen we nu een “heemtuin”, en als zodanig geldt hij als de oudste van West-Europa, maar Thijsse zelf sprak van een “instructief plantsoen”. In 1941 schreef hij in ‘De Levende Natuur’, het tijdschrift dat hij zelf had helpen oprichten, er het volgende over.

“Ik droom van plantsoenen, waar het publiek, oud en jong, onwetend en ingewijd, het hele jaar door gemakkelijk getuige kan zijn van wat in de loop der seizoenen, te beginnen met 1 Januari en te eindigen met 31 December, op het gebied van onze inheemse planten- en dierenwereld te beleven valt. (...) Die droom is reeds voor een groot deel verwezenlijkt in Thijsse’s Hof. Het is daar ten allerstrengste verboden, buiten de paden te gaan. Maar die paden leiden dan ook langs honderden soorten van planten uit bos en duin en plassenland, niet pedant gerangschikt als in een botanische tuin, maar vrij en vrolijk gegroepeerd in natuurlijke gezelschappen, juist zoals we ze in de echte vrije natuur zien en liefst in zo grote hoeveelheid, dat de bezoeker er vanzelf attent op wordt, niet alleen de mensen, maar ook de insecten en de vogels.”

Dergelijke plantsoenen vond hij een noodzakelijke voorziening in de almaar uitdijende steden. Elke stad diende er talloze te hebben, voor niemand verder weg dan een kwartier gaans. De kern van zijn droom schuilt in de woorden “gemakkelijk getuige zijn”, “inheems”, “beleven” en “niet pedant”. En “verboden buiten de paden te gaan” natuurlijk, ook toen moest de natuur worden beschermd. Hij contrasteerde zijn droombeeld met de plantsoenen zoals die toentertijd gangbaar waren:

“Alle banken langs het pad (van een “mooi plantsoen”, rvd) waren bezet met mensen, die genoten van het heerlijke weer en van het fraaie uitzicht. (...) Jammer echter, dat de wandelaars daar niet in het bijzonder van konden genieten, want ze waren van die bloemenzoom gescheiden door een keurig geschoren gazon, tientallen meters diep en dat mochten ze natuurlijk niet betreden. (...) Dergelijke plantsoenen zijn niet meer dan vullingen voor pleinen en brede straten. Ik ken er, die geheel afgeheind zijn met ijzer hekwerk (...). Veel goede ruimte en brave arbeid gaat op deze wijze verloren.”

Bedenkt u zelf even hoe hedendaagse plantsoenen eruit zien.

Thijsse had een opvoedkundig ideaal: breng de natuur in heel zijn rijkdom dicht bij de mensen, maar zonder dat ze er schade aan berokkenen; laat ze zo de natuur ontdekken - nee, laat ze natuurgenot ervaren, daar worden ze betere mensen van.

Tegenwoordig zijn heemtuinen óók de plaatsen waar planten een toevluchtsoord vinden die in de vrije natuur niet of nauwelijks meer voorkomen. Er is tenslotte veel verloren gegaan sinds 1925. De onlangs overleden Ger Londo schrijft in ‘Tuin vol wilde planten’: “Door de aanleg van heemtuinen ontstaan meer groeiplaatsen in ons land van allerlei plantesoorten, o.a. bedreigde en zeldzame soorten. Dat vermindert de kans op uitsterven en vergroot de kans op nieuwe vestigingen in de natuur. Die kans zal groter zijn indien een heemtuin niet te ver van natuurgebieden ligt.”

Wanneer u de volgende keer de hof betreedt, let u dan eens op de steen die terzijde van het ingangspad staat, aan uw rechterhand, even voorbij het mededelingenbord en de tafel met plantjes. Thijsse heeft hem laten plaatsen ter nagedachtenis van Catharina Cool, de paddenstoelenexpert die hem hielp met de inrichting van de hof en met het educatieve werk. De tekst op de steen is van haar en luidt: “Het ronddolen in en het bestuderen van de natuur geeft kracht aan allen, die geestelijk en lichamelijk lijden.” We zouden het nu anders formuleren, maar ik vind het een waar woord dat geldt voor iedereen. Want de omgang met de natuur werkt als balsem voor de ziel en doet ons ervaren dat we zoveel meer zijn dan loonslaven, consumenten, stemvee, gevangenen.

Zo, daar hebt u nu al drie verschillende bestaansredenen voor een heemtuin: educatief, botanisch en spiritueel. Er zijn er meer.

Augustus

Ik droeg nog kleine kleren en Godfried Bomans schreef: “Vanuit journalistiek standpunt is er één maand in het jaar waarin ‘niets gebeurt’. Het is de maand ná de Tour de France en vóór de opening der parlementen, als het te laat is voor de sport en te vroeg voor de politiek.” Hij doelde op augustus. Zomervakantie. Komkommertijd. We schrijven 2019 en wat dat betreft is er niets veranderd.

Die ‘grote vakantie’ is eigenlijk een merkwaardig, anachronistisch fenomeen. Ooit, toen Nederland overwegend een agrarische samenleving was, noodzakelijk om kinderen in staat te stellen mee te helpen bij het binnenhalen van de oogst; tegenwoordig de periode waarin scholieren ruimschoots de tijd krijgen alles te vergeten wat ze in het voorafgaande schooljaar hebben geleerd.

Ook in de natuur lijkt augustus op het eerste gezicht een periode van stilstand. De zomer heeft zijn verzadigingspunt bereikt. Veel planten zijn uitgebloeid en het blad aan de bomen oogt loom en stoffig. Lijsterbes en meidoorn kleuren oranje en rood. Nog even en ze worden kaalgevreten. De bramen, achterin de hof bij het werkschuurtje, rijpen. En behalve al die vruchten dragen de uitgebluste planten ontelbare zaden, hauwen en hauwtjes, en er zijn eikels, beukennootjes, dennenappels. De voorraadschuren worden gevuld.

Er zijn veel vlinders en libellen, plus allerlei insecten waar we minder dol op zijn. Wie weet vindt u een teek of een Eikenprocessierups. Die laatste heeft zich weliswaar nog niet bij ons vertoond, maar afgaand op de verspreidingskaartjes is het waarschijnlijk hij zich binnenkort meldt. In 1991 stak hij onze zuidgrens over en sindsdien rukt hij gestaag op. Gelukkig worden er waarnemingen gemeld van vogels die die griezels op het menu hebben gezet, Kauwen en Koolmezen onder meer. Augustus is de maand dat het Koninginnekruid volop bloeit. Weinig planten leveren zo rijkelijk nectar, en ze worden dan ook druk bezocht, een lust voor het oog. In de duinen heb ik er weleens 27 Atalanta’s op geteld.

Over insecten gesproken, we hebben weer een instructieve bijenkast, zo eentje waarvan de deurtjes open kunnen zodat je de bijen op hun raat kunt observeren. Ze werken ijverig door tot hun voorraden groot genoeg zijn om de winter te overleven. Anders dan hommels overleven zij tot in het volgende jaar. Honingbijen zijn geen wilde dieren, het is een gedomesticeerde soort. Je hebt hoornvee en pluimvee en wolvee; bijen zijn kleinvee. Wat ze op Thijsse’s Hof doen? Beschouwt u ze maar als educatieve medewerkers. Bezoekers zijn er dol op. In hun mateloze behoefte aan nectar en stuifmeel zijn honingbijen geduchte concurrenten van de wilde bijen. Voor hen is naast de kleine vijvers aan de kant van het pannenkoekenhuisje een zandhoop opgeworpen, met daarop een bunkerachtige constructie van dakpannen, waarin solitaire graafbijen nestelen. Het loont om ook daar eens een tijdje te gaan staan kijken.

Voor de schrijver Nescio, stadsjongen met een groot hart voor de natuur, hoorde de tweede helft van augustus tot de hoogtepunten van het jaar. In 1937 schreef hij: ‘Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn en ik noem ze op in volgorde van belangrijkheid: Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods. Het belangrijkste heb ik het eerst genoemd.' Een eervolle derde plaats!

Zelf vind ik het vertrek van de Gierzwaluwen het nadrukkelijkste teken dat het augustus is. Zo zie je ze en zo zijn ze verdwenen. Plotseling is het stil boven ons hoofd. U zult nog wel een enkeling zien overkomen, maar het leeuwendeel is vertrokken. Hun karakteristieke geschreeuw zullen we pas volgend jaar weer kunnen horen. De oudere vogels kwamen zo eind april aan, hun verblijf hier heeft amper drie maanden geduurd. Terwijl u dit leest zijn ze op weg naar Afrika, naar de oerwouden van Congo.

Al met al is augustus de maand waarin het nog zomer is en tegelijk ook al een beetje herfst wordt. Geen stilstand dus, maar een trage overgang, als van een rijpe peer die geen haast heeft om van de boom te vallen. Met een beetje geluk horen we nog voor de 31ste het eerste zojuist gearriveerde Roodborstje zingen.

Juli

Laatst was ik op het Dwingelderveld, een van Drentes Nationale Parken. Het is niet groot, maar er valt veel te zien. Kraanvogels! En de Bonte Vliegenvangers, waar we speciaal voor waren gekomen, vlogen ons om de oren. Het gevoel bekroop me, en niet voor het eerst: “Wat is er nog veel moois in Nederland, het gaat goed met de natuurbescherming.”

Naïeve gedachte... Zeker, je ziet veel moois, maar je ziet nu eenmaal niet wat verdwenen is. En evenmin zie je, als leek, het sluipende bederf van gif, overbemesting en ontwatering. Kenners echter weten: de natuur in Nederland, de bodem en de biodiversiteit, ook die in de beschermde gebieden, holt nog steeds achteruit. Onlangs schreef de Wageningse ecoloog Patrick Jansen in dagblad Trouw: “Het ziet er allemaal nog groen uit, maar deze natuurgebieden zijn doodziek.” Grote boosdoener is de stikstofdepositie. Die “verknalt natuurgebieden”, aldus Jansen. De Raad van State heeft onlangs de regering op de vingers getikt over haar schertsbeleid in deze kwestie. Je zou er somber en pessimistisch van worden: de kaalslag houdt niet op, ondanks alles wat we inmiddels weten over de verloedering van de planeet en de gevolgen daarvan. En hoe lang is dit niet al gaande?

Die aantasting van je gemoedsrust en van je vertrouwen in de toekomst, dat was iets waar Jac. P. Thijsse, wiens verjaardag we op 25 juli vieren, niet van wilde weten. Hij was een man die zijn natuurliefde, enthousiasme, optimisme, zijn onvermoeibare productiviteit en zijn tomeloze inzet door niets en niemand liet bederven, en daardoor grote successen boekte als natuurbeschermer. Althans, zo wil de mythe het.

Thijsses devies luidde: “Onbekommerd”. Het prijkte op zijn ex-libris en op zijn briefpapier en het lijkt de mythe te bevestigen. Maar sta er even bij stil: wie wérkelijk onbekommerd is, heeft daar niet eens weet van, per definitie niet, die gaat door het leven als een soort Wammes Waggel of Tom Bombadil, in zalige onschuld. Zo iemand leeft zoals Matteüs 6 ons voorhoudt: “Bekommer je niet om de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf”. Nee, wie onbekommerdheid nastreeft, is het juist níet. Thijsses devies moeten we maar opvatten als een tot zichzelf gerichte vermaning: “Laat je niet bedrukken! Nooit bij de pakken neerzitten!” Kennelijk had hij dat nodig. Het viel in de praktijk niet mee.

Lees bijvoorbeeld in het Verkade-album “Onze grote rivieren” (1938) hoe hij het oprukken van de Rotterdamse haven beschrijft, en het bekneld raken van het legendarische natuurgebied De Beer. Hij bezingt “het geweldig menschelijk bedrijf” van de zich uitbreidende haven: “meer dan tienduizend schepen per jaar (…), maar we kunnen er dubbel zoveel hebben”, terwijl “De Beer is ondergebracht in een Stichting, met bestemming als natuurmonument”. Geen vuiltje aan de lucht, lijkt hij te suggereren. IJdele hoop, weten we nu. Tegen beter weten in? In hetzelfde boek staat hij ook even stil bij de Sint Pietersberg, het natuurmonument dat kort daarvoor aan de ENCI ten prooi was gevallen. “Men moet niet denken, dat Maastricht nu met dien Pietersberg alles heeft verloren.” En: “De cementindustrie heeft toch haar goede zijde.”

Kunnen we dit nog “onbekommerd” noemen, of is het defaitisme? Of was het domweg pragmatisch, onvermijdelijk in de economisch zware jaren ‘30? In haar standaardwerk over de Verkade-albums, “Natuurlijk Verkade”, schrijft Marga Coesèl: “Het begrip dat Thijsse toonde voor de eisen van de tijd, voor de opkomst van industrie ten koste van natuur en landschap, draagt in “Onze grote rivieren” een enigszins geforceerd karakter (…) Je vraagt je af of Thijsse zelf al niet twijfelde of De Beer wel behouden zou blijven. Zijn verhaal hierover heeft iets weg van een bezwering.”

Hoe kon het ook anders? Gedurende Thijsses leven, 1865 –1945, bleef in Nederland geen steen op de andere, letterlijk en figuurlijk. (Lees de boeken van Auke van der Woud, ze schetsen een verbluffend beeld van hoe ons land toen veranderde.) Alles werd anders. Veel veranderde ten goede. Maar terwijl Thijsse zich inspande voor het behoud van de natuur, liet de moloch van de modernisering er weinig van over. Het ergste maakte hij trouwens niet eens mee, dat kwam later. Al die tijd bleef hij de grote natuurbeschermer, de man die zijn landgenoten de ogen opende voor de schatten die ze bezaten en de zorg die dat bezit vereist. De negentiende-eeuwer ook, die uitdroeg dat de kennismaking met de natuur betere mensen van ons maakt; hij sprak in dat verband van “veredelend genieten” en hij had gelijk. Hij bleef vertrouwen in een toekomst voor de Nederlandse natuur en desnoods, zo vermoed ik, deed hij maar alsof, wat hem in staat stelde de goede strijd te kunnen blijven strijden. Hij zwom tegen de stroom in en liet zich niet klein krijgen. Laten we op 25 juli niet vergeten de vlag uit te steken voor deze optimist-uit-berekening, deze pionier. Ons voorbeeld!

Tijdens de bezetting, toen het duingebied door de Duitsers was afgesloten, noteerde hij op een zelfgetekende kaart van de Kennemerduinen - uit het hoofd! - alle kostbaarheden die hij daar ooit had ontdekt en nog steeds wist te vinden. Alhoewel, de bezetter bouwde er intussen bunkers en legde oefenterreinen aan en Thijsse, allesbehalve onbekommerd, maakte zich grote zorgen om de dag van morgen, het naoorlogse herstel. Sinds kort kunt u de kaart bewonderen in ons instructielokaal, netjes ingelijst. Een ontroerend erfstuk.

Zonder zijn inspanningen was er ongetwijfeld nog veel meer natuur verloren gegaan. Daar kunnen we hem niet dankbaar genoeg voor zijn. Hij is, in de woorden van Marga Coesèl, “de beste ambassadeur van de natuurbescherming die Nederland ooit heeft gehad.” Vergeet de mythe. Eer de man.

Juni

Tegelijk met de bloemenweelde die in de meimaand is ontloken, vertoont ook een ander gewas zich rijkelijk in Thijsse’s Hof: de naambordjes. U kent ze wel, die geel-groene sprieten die ons zo veel geblader in de flora besparen. Ze getuigen van Jac. P. Thijsses streven om de Hof tot een “instructief plantsoen” te maken. Toen ik een paar jaar geleden merkte dat de plantenwereld mij meer begon te boeien dan de vogels, waren de bordjes in Thijsse’s Hof een voorname reden om telkens terug te komen. Er gaat wel eens iets mis. Dan stapt een bezoeker het kantoortje binnen met de mededeling dat een bordje niet klopt. “Daar staat wel “Welriekende Salomonszegel”, maar als u even met me mee wil lopen, dan laat ik u zien dat het toch echt Tuinsalomonszegel is!” Dat zoeken we dan uit. Zulke bezoekers houden we in ere. Die naambordjes zijn niet alleen maar nuttig. Wanneer u ons dezer dagen bezoekt, let dan eens op de merkwaardige schoonheid van de plantennamen. Wat een rijkdom: “Kleine Pimpernel”, “IJle Dravik”, “Hartgespan”, “Galigaan”, “Brunel” – namen uit een sprookjeswereld. Heetten mijn kleinzoontjes maar Dravik en Galigaan!

Nu weten we allemaal dat het Adam is geweest die ooit de dieren hun namen gaf, maar aan wie hebben de planten hun naam te danken? (Ik bedoel nu de gebruiksnamen; de wetenschappelijke namen vormen een ander verhaal, dat met Linnaeus begint.) In heel veel gevallen: de volksmond. Maar die spreekt met vele tongen, en daarom stelde in 1906 een NNV-commissie het boekje “Nederlandse plantennamen” samen, de eerste poging tot uniformering van de botanische namen in het Nederlands. Een jaar later al verscheen een heus woordenboek op dit gebied, onder redactie van de grote Heukels, de man wiens naam we nog altijd terugvinden in de titel van Nederlands toonaangevende flora. Die standaardnamen zijn natuurlijk erg praktisch, maar als u het Madeliefje liever een Meizoentje noemt, moet u dat natuurlijk gewoon blijven doen. Tot op de dag van vandaag worden de namen zo nodig aangepast. In de jaren ‘80 bijvoorbeeld vond er een grote herziening plaats, met medewerking van onder meer Jacob Heimans, de zoon van Eli, en Victor Westhoff, de geleerde en natuurbeschermer die wel “de Thijsse van de tweede helft van de twintigste eeuw” is genoemd. Hij werd begin jaren ‘70 bij het grote publiek bekend door het beeldschone, driedelige “Wilde Planten”, een zeer rijk geïllustreerde uitgave van Natuurmonumenten die tegenwoordig voor een habbekrats tweedehands te koop is.

Westhoff was behalve bioloog ook dichter. Hij hield veel van de bijzondere en soms buitenissige namen van planten. “Voor de natuurdichter is elke naam de sleutel tot een levende, poëtische werkelijkheid.” Hij spreekt van “bezielde namen, magische woorden met poëtische kracht.” Dat stelde hem als dichter voor problemen, want lang niet al zijn lezers deelden zijn smaak, laat staan zijn kennis. Zo gebruikte hij eens, in het gedicht “Sprengendal”, het woord “russen”, zoals u weet een soort bies, een grasachtige plant, wat een recensent zich deed afvragen wat die Russen in dat natuurgedicht deden. Zijn grote voorbeeld was Guido Gezelle, de man die in vervoering raakte bij de aanblik van de “wilde en onvervalste pracht der blommen”:

Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
kan toch een enkele blomme zijn,
die, al med eens, en zorgloos, uit
de hand van heuren Schepper spruit!

Wandelaar, bezoek onze Hof, aanschouw de rijkdom aan bloemen en proef hun namen aandachtig op de tong. Laat u betoveren: Akelei, Betonie, Centauri, Zenegroen...

Meer lezen over Victor Westhoff? Recentelijk verscheen van de hand van Frank Saris een biografie, “Natuurbescherming als hartstocht”, die tevens de geschiedenis van de natuurbescherming tussen 1950 en 2000 beschrijft. KNNV Uitgeverij publiceerde in 2018 het uiterst boeiende en diverse “Selectie uit het werk van Victor Westhoff”, onder redactie van Nettie Westhoff-De Jonckheere.

Mei

Bladerend in Jac. P. Thijsses Het vogeljaar stuit ik op iets merkwaardigs. In het jaaroverzicht waar het boek mee afsluit, ontbreekt de maand mei. Zegge en schrijve één bladzij draagt het opschrift ‘april-mei’, ten bewijze dat ook voor de stichter van onze Hof de kalender toch heus twaalf maanden omvatte, en hier en daar vinden we een terloopse vermelding van de ‘Meimaand’. Wat is hier aan de hand? Misschien is de verklaring gelegen in de volgende opmerking uit Het wandelboekje, het charmante zakboekje met de ronde hoeken dat Thijsse samen met de grote Eli Heimans schreef en dat ons nu, ruim een eeuw nadat het verscheen, een bijkans sprookjesachtig beeld schetst van de natuurlijke rijkdommen en schoonheid van ons land rond 1900.

De Kalender-Mei is in ons land niet altijd ‘de lieve Mei’, en ‘maakt’ ook niet ‘ieder blij’, maar stelt er velen teleur (…). De echte Mei, de natuur-Mei, de beroemde bloem- en vogel- en vlindermaand van West-Europa, komt soms pas in Juni of is er in April al geweest; ook wel verdeelt ze zich over alle drie kalendermaanden April-Mei-Juni.

Aha, de typische meimaand, droombeeld van biologen en dichters en al degenen die uitzien naar het moment dat ook bij henzelf de vitaliteit weer door de aderen bruist, Schuberts ‘schöne Monat Mai’, dat is een bedenksel, een ideaal! ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, desnoods tegen beter weten in. Hier stuiten we dus op de bedrieglijkheid van het voorjaar, die mensen melancholiek kan stemmen. Koekoek!

Hoe het zij, ons bloed gáát bruisen op een mooie meidag. Niet zozeer om die ene plant of die bijzondere vogel, maar vanwege de mateloze rijkdom van het seizoen. Een hoorn van overvloed wordt over ons uitgestort en we weten niet waar we moeten beginnen. De stinsenplanten zijn nu grotendeels uitgebloeid, maar wat een weelde aan nieuwe bloemen dient zich aan! Zelf houd ik erg van Look-zonder-look, in al zijn eenvoud een voorbeeld van stoere elegantie, een plant met prachtig blad. En bekijk de bescheiden grassen eens, die gaan nu ook bloeien, zo sierlijk. Langs de vijver vindt u de Gele Lis. De vlinders nemen snel in aantal toe. Ik zie elk jaar uit naar het Icarusblauwtje, even mooi als zijn naam. Dan de vogels: sommige al druk in de weer met de zorg voor hun jongen, andere op het nest, weer andere nog volop zingend. Nu het voorjaar vordert, zijn ze vanwege het gebladerte minder goed zichtbaar dan eerst, maar richt uw blik dan ook daar maar eens op, op die onwaarschijnlijke zee van lover met zijn vormenrijkdom en zijn ‘tweehonderd soorten groen’ (zoals de mooie tentoonstelling van botanische tekeningen heet die u nog tot 12 mei in Teyler’s Museum kunt gaan zien).

Ach, de meimaand, ons bruisende bloed en dat vleugje weemoed, het gevoel te herleven zoals de bomen lijken te doen. Philip Larkin begint zijn gedicht ‘The Trees’ als volgt:

The trees are coming into leaf
Like something almost being said;
The recent buds relax and spread,
Their greenness is a kind of grief.

Hij weet wel dat een wedergeboorte slechts een schone droom is en toch eindigt hij met hoopvolle regels, waarin we de volle bladerkronen horen ruisen:

Last year is dead, they seem to say,
Begin afresh, afresh, afresh.

April

Pasen valt laat dit jaar. Dat komt door de kerkelijke kalender, die wil dat Pasen valt op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Het Engels spreekt van een “movable feast”, want anders dan met kerstmis varieert de datum, van 22 maart tot en met 25 april. Op tweede paasdag wordt op Thijsse’s Hof in samenwerking met het IVN de jaarlijkse Stinzenplantendag gehouden. Dit jaar dus op 22 april, best laat voor die doorgaans vroege bloeiers. Maar goed, er zullen talloze planten in bloei staan, want lente is het dan volop, en niet alles wat bloeit hoeft een stinzenplant te zijn, toch? Elders op deze website en ook op onze Facebookpagina vindt u het programma van de dag.

In de tweede helft van april biedt de Hof u naast alle bloemen nog een andere attractie: de vogels. Niet voor niets heten we officieel “Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bos”. In geen andere maand komen er zoveel zomergasten Zuid-Kennemerland binnen als in april. Dus ook bij ons! Ze slaan algauw aan het zingen en doordat de bomen nog niet vol in blad staan, zijn ze tamelijk gemakkelijk te zien. In “Het vogeljaar” stond Jac. P. Thijsse hier al bij stil: “April mocht in plaats van Grasmaand wel Vogelmaand heten. Negen tienden van de inlandsche vogelwereld kunt ge in deze maand ontmoeten: wintergasten die nog toeven, doortrekkers op de lentereis, sterke zomervogels, die durven komen nog voordat de bomen bebladerd zijn, terwijl in het laatste van de maand de tederder soorten hun intocht doen.” Zo schreef hij in 1904 en zo is het gelukkig nog steeds.

Nu vertonen natuurlijk niet al die vogels zich in onze Hof. Het Visdiefje, dat gemiddeld op 1 april in onze contreien terugkeert, hoeft u niet te verwachten. Maar de Zwartkop (4 april) zeker wel, terwijl de Tjiftjaf (11 maart) er dan allang is. En u zult de vertrouwde gasten horen, de Merel en het Winterkoninkje en diverse Mezen en al het andere kleine grut. In het vogelhuisje voor de ingang van het instructielokaal zit tegen die tijd vast de Koolmees weer te broeden. Binnen kunt u de beelden van de webcam bewonderen, en als u dan goed kijkt, zult u tevens het portret van onze naamgever en stichter ontdekken, die daar hoog in de boom over het broedsel waakt. Vergeet trouwens niet af en toe uw hoofd in de nek te leggen. Scheert daar niet een Boerenzwaluw over? En daar, is dat geen Bruine Kiekendief? Ook de vijver kent zijn vaste bezoekers. Jaar in, jaar uit broedt er de Meerkoet, en vaak staat de Blauwe Reiger er op de uitkijk (al zal de paasdrukte hem waarschijnlijk te veel zijn). Met wat geluk ziet u een IJsvogel.

Soms valt de vogelrijkdom in april tegen. Een koude noordenwind zorgt dan voor vertraging. Maar het omgekeerde kan ook, dan zorgt een golf warme lucht recht uit de Sahara voor een massale vervroegde aankomst. Hoe het ook uitpakt, in april zit Thijsse’s Hof vol vogels, zowel vluchtige bezoekers als broeders, van wie we de afgelopen jaren maar liefst 24 soorten hadden. In de aanloop naar mei maken al die dieren zich enorm druk. De lente is immers geen idylle. Alles wat na de winter tot nieuw leven wordt gewekt, moet zich zien te handhaven en voort te planten. Er woedt een verbeten strijd. Het is erop of eronder. Koos van Zomeren schreef “De lente een slagveld” en dat boek mag dan over het voorjaar in de bergen gaan, die titel geldt ook bij ons. En begon T.S. Eliot zijn beroemde “Waste Land” niet met de dreigende regel “April is the cruellest month”? Wij mensen ervaren de lente desondanks als een feest, en doen dat ook weer niet zonder reden. Laten we dus vooral genieten.