Logo

THIJSSE'S HOF

Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch

Natuur van deze maand

Geschreven door Rob van Dam

Juli

Laatst was ik op het Dwingelderveld, een van Drentes Nationale Parken. Het is niet groot, maar er valt veel te zien. Kraanvogels! En de Bonte Vliegenvangers, waar we speciaal voor waren gekomen, vlogen ons om de oren. Het gevoel bekroop me, en niet voor het eerst: “Wat is er nog veel moois in Nederland, het gaat goed met de natuurbescherming.”

Naïeve gedachte... Zeker, je ziet veel moois, maar je ziet nu eenmaal niet wat verdwenen is. En evenmin zie je, als leek, het sluipende bederf van gif, overbemesting en ontwatering. Kenners echter weten: de natuur in Nederland, de bodem en de biodiversiteit, ook die in de beschermde gebieden, holt nog steeds achteruit. Onlangs schreef de Wageningse ecoloog Patrick Jansen in dagblad Trouw: “Het ziet er allemaal nog groen uit, maar deze natuurgebieden zijn doodziek.” Grote boosdoener is de stikstofdepositie. Die “verknalt natuurgebieden”, aldus Jansen. De Raad van State heeft onlangs de regering op de vingers getikt over haar schertsbeleid in deze kwestie. Je zou er somber en pessimistisch van worden: de kaalslag houdt niet op, ondanks alles wat we inmiddels weten over de verloedering van de planeet en de gevolgen daarvan. En hoe lang is dit niet al gaande?

Die aantasting van je gemoedsrust en van je vertrouwen in de toekomst, dat was iets waar Jac. P. Thijsse, wiens verjaardag we op 25 juli vieren, niet van wilde weten. Hij was een man die zijn natuurliefde, enthousiasme, optimisme, zijn onvermoeibare productiviteit en zijn tomeloze inzet door niets en niemand liet bederven, en daardoor grote successen boekte als natuurbeschermer. Althans, zo wil de mythe het.

Thijsses devies luidde: “Onbekommerd”. Het prijkte op zijn ex-libris en op zijn briefpapier en het lijkt de mythe te bevestigen. Maar sta er even bij stil: wie wérkelijk onbekommerd is, heeft daar niet eens weet van, per definitie niet, die gaat door het leven als een soort Wammes Waggel of Tom Bombadil, in zalige onschuld. Zo iemand leeft zoals Matteüs 6 ons voorhoudt: “Bekommer je niet om de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf”. Nee, wie onbekommerdheid nastreeft, is het juist níet. Thijsses devies moeten we maar opvatten als een tot zichzelf gerichte vermaning: “Laat je niet bedrukken! Nooit bij de pakken neerzitten!” Kennelijk had hij dat nodig. Het viel in de praktijk niet mee.

Lees bijvoorbeeld in het Verkade-album “Onze grote rivieren” (1938) hoe hij het oprukken van de Rotterdamse haven beschrijft, en het bekneld raken van het legendarische natuurgebied De Beer. Hij bezingt “het geweldig menschelijk bedrijf” van de zich uitbreidende haven: “meer dan tienduizend schepen per jaar (…), maar we kunnen er dubbel zoveel hebben”, terwijl “De Beer is ondergebracht in een Stichting, met bestemming als natuurmonument”. Geen vuiltje aan de lucht, lijkt hij te suggereren. IJdele hoop, weten we nu. Tegen beter weten in? In hetzelfde boek staat hij ook even stil bij de Sint Pietersberg, het natuurmonument dat kort daarvoor aan de ENCI ten prooi was gevallen. “Men moet niet denken, dat Maastricht nu met dien Pietersberg alles heeft verloren.” En: “De cementindustrie heeft toch haar goede zijde.”

Kunnen we dit nog “onbekommerd” noemen, of is het defaitisme? Of was het domweg pragmatisch, onvermijdelijk in de economisch zware jaren ‘30? In haar standaardwerk over de Verkade-albums, “Natuurlijk Verkade”, schrijft Marga Coesèl: “Het begrip dat Thijsse toonde voor de eisen van de tijd, voor de opkomst van industrie ten koste van natuur en landschap, draagt in “Onze grote rivieren” een enigszins geforceerd karakter (…) Je vraagt je af of Thijsse zelf al niet twijfelde of De Beer wel behouden zou blijven. Zijn verhaal hierover heeft iets weg van een bezwering.”

Hoe kon het ook anders? Gedurende Thijsses leven, 1865 –1945, bleef in Nederland geen steen op de andere, letterlijk en figuurlijk. (Lees de boeken van Auke van der Woud, ze schetsen een verbluffend beeld van hoe ons land toen veranderde.) Alles werd anders. Veel veranderde ten goede. Maar terwijl Thijsse zich inspande voor het behoud van de natuur, liet de moloch van de modernisering er weinig van over. Het ergste maakte hij trouwens niet eens mee, dat kwam later. Al die tijd bleef hij de grote natuurbeschermer, de man die zijn landgenoten de ogen opende voor de schatten die ze bezaten en de zorg die dat bezit vereist. De negentiende-eeuwer ook, die uitdroeg dat de kennismaking met de natuur betere mensen van ons maakt; hij sprak in dat verband van “veredelend genieten” en hij had gelijk. Hij bleef vertrouwen in een toekomst voor de Nederlandse natuur en desnoods, zo vermoed ik, deed hij maar alsof, wat hem in staat stelde de goede strijd te kunnen blijven strijden. Hij zwom tegen de stroom in en liet zich niet klein krijgen. Laten we op 25 juli niet vergeten de vlag uit te steken voor deze optimist-uit-berekening, deze pionier. Ons voorbeeld!

Tijdens de bezetting, toen het duingebied door de Duitsers was afgesloten, noteerde hij op een zelfgetekende kaart van de Kennemerduinen - uit het hoofd! - alle kostbaarheden die hij daar ooit had ontdekt en nog steeds wist te vinden. Alhoewel, de bezetter bouwde er intussen bunkers en legde oefenterreinen aan en Thijsse, allesbehalve onbekommerd, maakte zich grote zorgen om de dag van morgen, het naoorlogse herstel. Sinds kort kunt u de kaart bewonderen in ons instructielokaal, netjes ingelijst. Een ontroerend erfstuk.

Zonder zijn inspanningen was er ongetwijfeld nog veel meer natuur verloren gegaan. Daar kunnen we hem niet dankbaar genoeg voor zijn. Hij is, in de woorden van Marga Coesèl, “de beste ambassadeur van de natuurbescherming die Nederland ooit heeft gehad.” Vergeet de mythe. Eer de man.

Juni

Tegelijk met de bloemenweelde die in de meimaand is ontloken, vertoont ook een ander gewas zich rijkelijk in Thijsse’s Hof: de naambordjes. U kent ze wel, die geel-groene sprieten die ons zo veel geblader in de flora besparen. Ze getuigen van Jac. P. Thijsses streven om de Hof tot een “instructief plantsoen” te maken. Toen ik een paar jaar geleden merkte dat de plantenwereld mij meer begon te boeien dan de vogels, waren de bordjes in Thijsse’s Hof een voorname reden om telkens terug te komen. Er gaat wel eens iets mis. Dan stapt een bezoeker het kantoortje binnen met de mededeling dat een bordje niet klopt. “Daar staat wel “Welriekende Salomonszegel”, maar als u even met me mee wil lopen, dan laat ik u zien dat het toch echt Tuinsalomonszegel is!” Dat zoeken we dan uit. Zulke bezoekers houden we in ere. Die naambordjes zijn niet alleen maar nuttig. Wanneer u ons dezer dagen bezoekt, let dan eens op de merkwaardige schoonheid van de plantennamen. Wat een rijkdom: “Kleine Pimpernel”, “IJle Dravik”, “Hartgespan”, “Galigaan”, “Brunel” – namen uit een sprookjeswereld. Heetten mijn kleinzoontjes maar Dravik en Galigaan!

Nu weten we allemaal dat het Adam is geweest die ooit de dieren hun namen gaf, maar aan wie hebben de planten hun naam te danken? (Ik bedoel nu de gebruiksnamen; de wetenschappelijke namen vormen een ander verhaal, dat met Linnaeus begint.) In heel veel gevallen: de volksmond. Maar die spreekt met vele tongen, en daarom stelde in 1906 een NNV-commissie het boekje “Nederlandse plantennamen” samen, de eerste poging tot uniformering van de botanische namen in het Nederlands. Een jaar later al verscheen een heus woordenboek op dit gebied, onder redactie van de grote Heukels, de man wiens naam we nog altijd terugvinden in de titel van Nederlands toonaangevende flora. Die standaardnamen zijn natuurlijk erg praktisch, maar als u het Madeliefje liever een Meizoentje noemt, moet u dat natuurlijk gewoon blijven doen. Tot op de dag van vandaag worden de namen zo nodig aangepast. In de jaren ‘80 bijvoorbeeld vond er een grote herziening plaats, met medewerking van onder meer Jacob Heimans, de zoon van Eli, en Victor Westhoff, de geleerde en natuurbeschermer die wel “de Thijsse van de tweede helft van de twintigste eeuw” is genoemd. Hij werd begin jaren ‘70 bij het grote publiek bekend door het beeldschone, driedelige “Wilde Planten”, een zeer rijk geïllustreerde uitgave van Natuurmonumenten die tegenwoordig voor een habbekrats tweedehands te koop is.

Westhoff was behalve bioloog ook dichter. Hij hield veel van de bijzondere en soms buitenissige namen van planten. “Voor de natuurdichter is elke naam de sleutel tot een levende, poëtische werkelijkheid.” Hij spreekt van “bezielde namen, magische woorden met poëtische kracht.” Dat stelde hem als dichter voor problemen, want lang niet al zijn lezers deelden zijn smaak, laat staan zijn kennis. Zo gebruikte hij eens, in het gedicht “Sprengendal”, het woord “russen”, zoals u weet een soort bies, een grasachtige plant, wat een recensent zich deed afvragen wat die Russen in dat natuurgedicht deden. Zijn grote voorbeeld was Guido Gezelle, de man die in vervoering raakte bij de aanblik van de “wilde en onvervalste pracht der blommen”:

Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
kan toch een enkele blomme zijn,
die, al med eens, en zorgloos, uit
de hand van heuren Schepper spruit!

Wandelaar, bezoek onze Hof, aanschouw de rijkdom aan bloemen en proef hun namen aandachtig op de tong. Laat u betoveren: Akelei, Betonie, Centauri, Zenegroen...

Meer lezen over Victor Westhoff? Recentelijk verscheen van de hand van Frank Saris een biografie, “Natuurbescherming als hartstocht”, die tevens de geschiedenis van de natuurbescherming tussen 1950 en 2000 beschrijft. KNNV Uitgeverij publiceerde in 2018 het uiterst boeiende en diverse “Selectie uit het werk van Victor Westhoff”, onder redactie van Nettie Westhoff-De Jonckheere.

Mei

Bladerend in Jac. P. Thijsses Het vogeljaar stuit ik op iets merkwaardigs. In het jaaroverzicht waar het boek mee afsluit, ontbreekt de maand mei. Zegge en schrijve één bladzij draagt het opschrift ‘april-mei’, ten bewijze dat ook voor de stichter van onze Hof de kalender toch heus twaalf maanden omvatte, en hier en daar vinden we een terloopse vermelding van de ‘Meimaand’. Wat is hier aan de hand? Misschien is de verklaring gelegen in de volgende opmerking uit Het wandelboekje, het charmante zakboekje met de ronde hoeken dat Thijsse samen met de grote Eli Heimans schreef en dat ons nu, ruim een eeuw nadat het verscheen, een bijkans sprookjesachtig beeld schetst van de natuurlijke rijkdommen en schoonheid van ons land rond 1900.

De Kalender-Mei is in ons land niet altijd ‘de lieve Mei’, en ‘maakt’ ook niet ‘ieder blij’, maar stelt er velen teleur (…). De echte Mei, de natuur-Mei, de beroemde bloem- en vogel- en vlindermaand van West-Europa, komt soms pas in Juni of is er in April al geweest; ook wel verdeelt ze zich over alle drie kalendermaanden April-Mei-Juni.

Aha, de typische meimaand, droombeeld van biologen en dichters en al degenen die uitzien naar het moment dat ook bij henzelf de vitaliteit weer door de aderen bruist, Schuberts ‘schöne Monat Mai’, dat is een bedenksel, een ideaal! ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, desnoods tegen beter weten in. Hier stuiten we dus op de bedrieglijkheid van het voorjaar, die mensen melancholiek kan stemmen. Koekoek!

Hoe het zij, ons bloed gáát bruisen op een mooie meidag. Niet zozeer om die ene plant of die bijzondere vogel, maar vanwege de mateloze rijkdom van het seizoen. Een hoorn van overvloed wordt over ons uitgestort en we weten niet waar we moeten beginnen. De stinsenplanten zijn nu grotendeels uitgebloeid, maar wat een weelde aan nieuwe bloemen dient zich aan! Zelf houd ik erg van Look-zonder-look, in al zijn eenvoud een voorbeeld van stoere elegantie, een plant met prachtig blad. En bekijk de bescheiden grassen eens, die gaan nu ook bloeien, zo sierlijk. Langs de vijver vindt u de Gele Lis. De vlinders nemen snel in aantal toe. Ik zie elk jaar uit naar het Icarusblauwtje, even mooi als zijn naam. Dan de vogels: sommige al druk in de weer met de zorg voor hun jongen, andere op het nest, weer andere nog volop zingend. Nu het voorjaar vordert, zijn ze vanwege het gebladerte minder goed zichtbaar dan eerst, maar richt uw blik dan ook daar maar eens op, op die onwaarschijnlijke zee van lover met zijn vormenrijkdom en zijn ‘tweehonderd soorten groen’ (zoals de mooie tentoonstelling van botanische tekeningen heet die u nog tot 12 mei in Teyler’s Museum kunt gaan zien).

Ach, de meimaand, ons bruisende bloed en dat vleugje weemoed, het gevoel te herleven zoals de bomen lijken te doen. Philip Larkin begint zijn gedicht ‘The Trees’ als volgt:

The trees are coming into leaf
Like something almost being said;
The recent buds relax and spread,
Their greenness is a kind of grief.

Hij weet wel dat een wedergeboorte slechts een schone droom is en toch eindigt hij met hoopvolle regels, waarin we de volle bladerkronen horen ruisen:

Last year is dead, they seem to say,
Begin afresh, afresh, afresh.

April

Pasen valt laat dit jaar. Dat komt door de kerkelijke kalender, die wil dat Pasen valt op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Het Engels spreekt van een “movable feast”, want anders dan met kerstmis varieert de datum, van 22 maart tot en met 25 april. Op tweede paasdag wordt op Thijsse’s Hof in samenwerking met het IVN de jaarlijkse Stinzenplantendag gehouden. Dit jaar dus op 22 april, best laat voor die doorgaans vroege bloeiers. Maar goed, er zullen talloze planten in bloei staan, want lente is het dan volop, en niet alles wat bloeit hoeft een stinzenplant te zijn, toch? Elders op deze website en ook op onze Facebookpagina vindt u het programma van de dag.

In de tweede helft van april biedt de Hof u naast alle bloemen nog een andere attractie: de vogels. Niet voor niets heten we officieel “Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bos”. In geen andere maand komen er zoveel zomergasten Zuid-Kennemerland binnen als in april. Dus ook bij ons! Ze slaan algauw aan het zingen en doordat de bomen nog niet vol in blad staan, zijn ze tamelijk gemakkelijk te zien. In “Het vogeljaar” stond Jac. P. Thijsse hier al bij stil: “April mocht in plaats van Grasmaand wel Vogelmaand heten. Negen tienden van de inlandsche vogelwereld kunt ge in deze maand ontmoeten: wintergasten die nog toeven, doortrekkers op de lentereis, sterke zomervogels, die durven komen nog voordat de bomen bebladerd zijn, terwijl in het laatste van de maand de tederder soorten hun intocht doen.” Zo schreef hij in 1904 en zo is het gelukkig nog steeds.

Nu vertonen natuurlijk niet al die vogels zich in onze Hof. Het Visdiefje, dat gemiddeld op 1 april in onze contreien terugkeert, hoeft u niet te verwachten. Maar de Zwartkop (4 april) zeker wel, terwijl de Tjiftjaf (11 maart) er dan allang is. En u zult de vertrouwde gasten horen, de Merel en het Winterkoninkje en diverse Mezen en al het andere kleine grut. In het vogelhuisje voor de ingang van het instructielokaal zit tegen die tijd vast de Koolmees weer te broeden. Binnen kunt u de beelden van de webcam bewonderen, en als u dan goed kijkt, zult u tevens het portret van onze naamgever en stichter ontdekken, die daar hoog in de boom over het broedsel waakt. Vergeet trouwens niet af en toe uw hoofd in de nek te leggen. Scheert daar niet een Boerenzwaluw over? En daar, is dat geen Bruine Kiekendief? Ook de vijver kent zijn vaste bezoekers. Jaar in, jaar uit broedt er de Meerkoet, en vaak staat de Blauwe Reiger er op de uitkijk (al zal de paasdrukte hem waarschijnlijk te veel zijn). Met wat geluk ziet u een IJsvogel.

Soms valt de vogelrijkdom in april tegen. Een koude noordenwind zorgt dan voor vertraging. Maar het omgekeerde kan ook, dan zorgt een golf warme lucht recht uit de Sahara voor een massale vervroegde aankomst. Hoe het ook uitpakt, in april zit Thijsse’s Hof vol vogels, zowel vluchtige bezoekers als broeders, van wie we de afgelopen jaren maar liefst 24 soorten hadden. In de aanloop naar mei maken al die dieren zich enorm druk. De lente is immers geen idylle. Alles wat na de winter tot nieuw leven wordt gewekt, moet zich zien te handhaven en voort te planten. Er woedt een verbeten strijd. Het is erop of eronder. Koos van Zomeren schreef “De lente een slagveld” en dat boek mag dan over het voorjaar in de bergen gaan, die titel geldt ook bij ons. En begon T.S. Eliot zijn beroemde “Waste Land” niet met de dreigende regel “April is the cruellest month”? Wij mensen ervaren de lente desondanks als een feest, en doen dat ook weer niet zonder reden. Laten we dus vooral genieten.