Geschiedenis van de Hof

Met bakken kwam de regen uit de lucht op 26 september 1925 toen Dr. Jacobus Pieter Thijsse “zijn” heemtuin opende. Het terrein van de heemtuin, met als officiële naam “Thijsse’s Hof, Planten- en Vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch” behoorde in voeger tijden tot een natuurlijke wildernis. De graven van Holland zullen er wel gejaagd hebben, misschien wel samen met de heren van Brederode.

 

In 1599 werd het gebied opgenomen in het “Caert-boeck van de Lage en de Hogelanden, gheleghen in Alberts-Berch, Overveen en de Vogele-Sangh”. Toen het terrein minder “woest” was, is het als zogenaamde droogberg gebruikt van de zuidwestelijk ervan gelegen blekerij.

 

Later, in 1794, wordt het terrein op de kaart van landmeter D. Engelman aangegeven als duingebied dat behoorde tot de Hofstede Saxenburg. De eigenaren daarvan, respectievelijk Hendrik Hermansz en later mr. C.A. van Brakel, hebben in de tweede helft van de 18e eeuw het terrein bebost en daarmee feitelijk de grondslag gelegd voor het Bloemendaalse bos. Hermansz bouwde rond 1750 een tuinmanswoning, later verfraaid met het door zuilen gedragen koepeltje en nu bekend als het “Pannenkoekenhuisje”.

 

In 1920 kwam de gemeente Bloemendaal in het bezit van het Bloemendaalse bos en viel een deel daarvan ten offer aan wegenaanleg en woningbouw. Het stuk waar nu Thijsse’s Hof is, bleef gespaard. Het betrof een braakliggend aardappellandje (in gebruik  als trapveldje voor de voetballende jeugd), met eikenhakhout. Ook de zonen van Thijsse -de familie woonde er vlak bij- hebben daar veel gespeeld.

 

In 1925 wilde de gemeente Bloemendaal haar grote en bekende ingezetene, dr. Jac.P. Thijsse eren door hem ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag het hiervoor beschreven gebied, groot 2 hectaren, aan te bieden om daarop zijn Hof aan te leggen en te beplanten, geheel naar zijn inzichten en volgens het plan dat bij hem in de loop der jaren gerijpt was: een plantentuin met alles wat in Kennemerland in het wild groeit en bloeit, een tuin die tegelijkertijd een broed- en verblijfplaats zou kunnen zijn voor vogels. Een tuin voor iedere liefhebber van de natuur, een instructief plantsoen.

 

Het initiatief hiervoor was in 1924 al uitgegaan van een klein comité Bloemendaalse ingezetenen. Een en ander werd ondersteund door burgemeester Bas Backer, de voorzitter van de Vereniging “Bloemendaal’s Bloei “, de rector van het Kennemer Lyceum en de bekende Haarlemse landschapsarchitect Leonard A. Springer.

 

De gemeenteraad van Bloemendaal was in 1924 al akkoord gegaan met de overdracht van terrein, pannenkoekenhuisje, een som geld en een subsidietoezegging aan een nog op te richten stichting. Die werd op 17 juli 1925, acht dagen voor zijn 60ste verjaardag, bij notariële acte opgericht.

 

Thijsse was daar, als eerste voorzitter, zelf bij. De aanbieding vond plaats op 25 juli, maar de werkzaamheden waren toen al lang aan de gang. De aanleg geschiedde door de jonge Cees Sipkes, eigenaar van het hoveniersbedrijf “De Teunisbloem” aan de Zijlweg in Haarlem. Het ontwerp, waar Thijsse zich flink mee bemoeide, was van Leonard A. Springer, een bekend tuin- en landschapsarchitect uit het laatste kwart van de 19e en het eerste kwart van de 20ste eeuw. Hij werkte in de traditie van de Engelse landschapsstijl en dat is in Thijsse’s Hof duidelijk te zien. Op een enkele plek na is het oorspronkelijk ontwerp van Springer nog geheel in tact gebleven.

 

 

Zo werd de oorspronkelijke, van voor 1600 daterende, natuurlijke wildernis tot een geleide wildernis nu, en tot een deel van het cultureel erfgoed van Kennemerland. Thijsse was over de flora van Kennemerland ooit in volvoering gebracht door het vermaarde boekje “Onkruid” (uit 1880) van de oude F.W. van Eeden (oude omdat hij de vader was van de bekende in 1860 geboren “tachtiger”-schrijver Frederik van Eeden). Daarom had hij zijn tuin graag “Van Eeden’s Hof” genoemd. “Maar mijn vrienden duchtten verwarring met den Hof van Eeden en bevorderden mij tot peetvader”, liet Thijsse desgevraagd weten. Het werd Thijsse’s Hof.

 

In de periode 1925 tot en met 1958 werd er vooral gewerkt aan het behouden van de Hof conform de eerste aanleg. Helaas bleek rond 1958 dat de Hof daardoor zowel ecologisch als educatief niet meer “op de kaart” stond. Tussen 1959/60 en 1964 werd er daarom een ambitieus renovatieplan uitgevoerd. In 1960 werd aan de westzijde het eerste buitenduin aangelegd met zand van de westoever van de grote vijver. Naast het duin ontstond er een klein nat gebied (lange tijd de “Holle kies van Sipkes” genoemd) met weer groeipotentieel voor orchissen, duizendguldenkruid en parnassia. In 1990 werd die operatie grootschaliger opnieuw uitgevoerd en kwam het pad deels over een bruggetje te lopen. In de periode 1960 – 1972 werd aan de oostzijde in meer fasen het heidegebiedje aangelegd. Ten behoeve van onze educatieve taak kwam er in 1961 de demonstratiestrook langs het zuidelijke pad en in 1976 het Instructielokaal. In de jaren erna gevolgd door de demonstratietuin bij het Pannenkoekenhuisje met de graanakker met onkruiden, een moerasje, een vijver waar je makkelijk in kunt kijken en een oude muur speciaal voor muurvegetatie.